| Historie |
|
De veehouderij in Twente heeft zich na de industrialisatie
van Twente vanaf 1850 kunnen ontwikkelen tot een moderne bedrijfstak.
Met als hoogtepunt in 2005 een zwartbonte koe in het Twentse Geesteren
met de hoogste Nederlandse jaarproductie van 17.007 kilogram melk
met 5,10% vet en 3,38% eiwit in 292 dagen.
Deze prestatie straat in schril contrast met de periode voorafgaand
aan de industrialisatie van Twente waarbij het natte Twente als
geologisch soepbord de ontwikkeling van de veeteelt sterk heeft
belemmerd. Zelfs in vergelijking met Drente valt het geringe aantal
herkauwers op. Daarnaast moesten de Twentse herkauwers het regelmatig
afleggen tegen de ziekte leverbot, die dankzij de tussengastheer,
de zoetwaterslak, goed gedijde in deze natte gebieden. Bijgaand
overzicht geeft een goed beeld van de situatie in Twente. |
| |
|
| Kenmerken Twentse landbouw 1600 - 1800
(Staring / Slicher van Bath) |
| jaar |
kenmerk |
Drente |
Salland |
Twente |
| 1602 |
Aantal schapenhouders |
- |
527 |
128 |
| 1795 |
Verhouding boeren: keuters/dagloners |
100 : 76 |
- |
100 : 159 |
| 1800 |
Verhouding bouwland : grasland |
100 : 188 ha |
100 : 176 ha |
100 : 70 ha |
| 1800 |
Aantal runderen per 100 ha |
52 |
48 |
42 |
| 1800 |
Gemiddeld aantal gehouden runderen |
7 |
- |
3 |
|
| |
|
Tegen dit decor heeft Twente een aantal
streekspecifieke landbouwhuisdierrassen voortgebracht die door gewijzigd
economisch belang zijn uitgestorven of nog maar in zeer kleine aantallen
voorkomen. Zo zijn het Almelo’sch grootorig varken en Heisnikken,
in Twente Munstersch Vee genoemd, uitgestorven. De Heisnikken werden
ingezet voor het ploegen en gaven gelet de omstandigheden redelijk
wat melk.
Een eigen schapenras heeft Twente niet voortgebracht. Wel hebben
het Drents heideschaap en het naburige Bentheimerschaap het Schoonenbeker
heideschaap opgeleverd. De enige levende vertegenwoordigers van
de Twentse rassen zijn nog het Twents Hoen en de Twentse landgans
waarvan de laatste uitgestorven gewaand werd. |
| Heden ten dage wordt op het landgoed Herinckhave een
aantal oude landbouwhuisdierrassen gehouden, waaronder het Twents
hoen en de Twentse landgans. De aanwezige oude landbouwhuisdierrassen
worden in lijn met de doelstellingen van de Stichting Zeldzame Huisdierrassen
en de specifieke dierverenigingen gehouden. Hierbij wordt zo goed
mogelijk naar de geldende standaarden en gebruikskenmerken gefokt.
|
Groninger Meeuw
De Groninger meeuw is een gepeld landhoenras dat aan het eind van
de 18e eeuw is ontstaan op het Groninger grondgebied uit zwaardere
Friese hoenders met donkerbruine ogen en de Duitse Oost-Friese meeuw.
|
|
In 1888 maakt R. Houwink voor het eerst melding van
een grofgepeld, zilver- en goudpel getekend landhoen op de markt
in de stad Groningen dat groter was dan het Friese en Drentse hoen.
In 1919 is de Groninger Meeuw officieel erkend. Maar het Groninger
landhoen bleef een zeldzame verschijning op tentoonstellingen. Eind
1950 wordt de goudpelvariant gefokt. In 2001 zijn 800 fokdieren
geïnventariseerd.
De levendige en vroegrijpe Groninger Meeuw kan op een leeftijd van
vijf maanden eieren gaan leggen. Vooral in het tweede jaar blijken
de hennen uitstekende legsters te zijn van een witschalig ei. De
hennen worden minder snel broeds. De pelling, ofwel de zwarte vlekken
aan weerszijden van de veerschacht bij de hen, zijn, naast de donkerbruine
ogen, een licht vallende kamhiel en het vleugelbandje bij de haan,
typische raskenmerken.
De op Herinckhave gehouden grote Groninger Meeuwen worden in de
weinig voorkomende kleurslag goudpel gefokt. Met deze kleurslag
is slechts een handvol fokkers actief. |
| Tegen de achtergrond van cultuurhistorische aanwezigheid
of de bedreigde status wordt momenteel actief met zeven oude landbouwhuisdierrassen
gefokt. Daarbij zijn, door de Stichting Zeldzame Huisdierrassen,
de fokinspanningen met de Twentse Landgans gewaardeerd door de erkenning
als ‘Erkend Fokcentrum’. Daarnaast heeft het blad Landleven
de havezate Herinckhave en haar zeldzame huisdierrassen begin 2005
belicht. |
Groninger Blaarkop |
|
| De Groninger blaarkop is een oud rundveeras en wordt in de late
Middeleeuwen al beschreven. Van oudsher komt de blaarkop voor in
de provincie Groningen, maar ook in de Rijnstreek tussen Utrecht
en Leiden. Het enigszins zware rund is van oorsprong een dubbeldoelkoe
bestemd voor zowel melk- als vleesproductie. Kenmerkend voor de
Blaarkop is, naast de specifieke aftekening met vlekken rond de
ogen en een gekleurd lijf, het harde beenwerk, de goede vruchtbaarheid
en het makkelijk afkalven. De blaarkop komt voor in zowel de zwarte
als de rode kleurslag. |
|
| In de provincie Groningen bestond aan
het begin van de 20e eeuw de veestapel voor negentig procent uit
blaarkoppen. Het ras vindt momenteel opgang in de biologische melkveehouderij
vanwege haar soberheid en duurzaamheid. In 2004 waren er ongeveer
600 zuivere dieren. De gemiddelde melkproductie bij Blaarkoppen
is 5.984 kilo melk, met 4.41 %vet en 3,58% eiwit (Nederlands gemiddelde
2005: 8.029 kg - 4,42% - 3,52%). Het aantal blaarkoppen op Herinckhave
varieert tussen de 3 en 7 dieren. De kalveren worden gezoogd door
de koeien. |
| Nederlandse Landgeit |
|
| De Nederlandse Landgeit is een stevige, middelgrote
geit met horens. Vooral de bokken hebben zware, meestal liervormige
horens en vaak een bokkenpruik en een wipneus. Bokken zijn altijd
langharig, terwijl de geiten ook kort-ruigharig kunnen zijn. De
vachten variëren van bont, met zwarte, bruine, beige of blauwe
vlekken, tot een enkele keer helemaal wit. |
|
De Nederlandse landgeit wordt toenemend ingezet bij
de begrazing en boomvrij houden van natuurterreinen. In het begin
van de zestiger jaren was de landgeit op enkele exemplaren na verdwenen.
Enkele dieren, uit een schaapskudde in het Gooi, werden geschonken
aan de dierentuin Blijdorp te Rotterdam. In 1971 startte het toenmalige
Rijksinstituut voor Natuurbeheer in Leersum begrazingsonderzoeken
met de Nederlandse landgeit. Deze koppel groeide in omvang en er
kon worden geselecteerd op het oorspronkelijke type, zoals afgeleid
van oude afbeeldingen op schilderijen.
De laatste jaren gaat het goed met het aantal dieren. In 2005 stonden
1.400 dieren in het stamboek ingeschreven. Daarmee is de geit opgeklauterd
uit een kritieke situatie naar de status van een kwetsbaar ras.
De groep Nederlandse landgeiten van Herinckhave lopen
een groot deel van het jaar op verschillende terreinen en komen
in het vroege voorjaar terug naar Herinckhave om te lammeren.
|
Drents Heideschaap |
|
| Het Drents heideschaap is het enige gehoornde Nederlandse
schapenras met een veelheid aan kleurvarianten. Het Drentse heideschaap
is een primitief schaap dat nog dicht bij de wilde voorouders staat.
Met een schofthoogte van ongeveer 60 centimeter is dit type het
kleinste inheemse schaap. Een volwassen ooi heeft een gewicht van
35-40 kg. Kenmerkend zijn de grote spiraalvormige horens van de
rammen. Ook de ooien hebben kleine, rechte of een beetje gebogen
horens (stikken). Soms komen ook ongehoorde dieren voor. |
|
Het sobere Drents Heideschaap is het oudste schapenras
van het vaste land van West-Europa. Vanaf ongeveer 4000 v. Chr.
komt het in Drenthe voor; waarschijnlijk met de emigranten meegekomen
vanuit Frankrijk. Het Drents Heideschaap is, in tegenstelling tot
de meer veredelde schapenrassen, in staat te leven op schrale heidegronden
zoals deze veel voorkwamen in het noordoosten van Nederland. In
vorige eeuwen hebben heideschapen een belangrijke bijdrage geleverd
aan de verbetering van de landbouwgronden. Zonder schapenmest was
akkerbouw in die tijd praktisch onmogelijk.
Het Drentse Heideschaap wordt getypeerd door een korte rechte profiellijn
van de neus. De kop heeft een matte stugge beharing. De kruin is
vaak van wol of krullend stug haar. De poten zijn rank en de dikbewolde
staart hangt tot ver onder de hak
Afhankelijk van de gronden waarop ze geweid worden, heide of graslanden,
werpen de ooien 1 of 2 lammeren. Het Drentse heideschaap is met
een stamboekpopulatie van ongeveer 2.600 dieren in 2005 kwetsbaar
te noemen. Op Herinckhave lopen de Drentse Heideschapen
in de boomgaard waarbij zij in de herfst met de Twentse Landganzen
concurreren om de valappels.
|
Twents Hoen |
|
| Het Twentse Hoen is omstreeks 1900 ontstaan in de
grensstreek van Twente en het Duitse graafschap Bentheim. Door de
daar voorkomende landhoenders in te kruisen met diverse vechthoenderrassen
als de Maleier en later de zilverpatrijs Leghorn ontstond een eigen
vechthoen met goede legeigenschappen. Vooral door het Maleierbloed
waren de hanen toen erg vechtlustig, waardoor ze ook wel Biethauner,
Biethaan of Bijthoen werden genoemd. In 2001 zijn 400 fokdieren
geïnventariseerd. |
|
| Het Twentse Hoen is een middelzwaar landhoenras, slank
en sierlijk van bouw met een opgerichte houding. De dieren mogen
fors zijn, maar moeten er slank uitzien. De kleine ronde kop en
de aardbeiachtige kam, zo groot als een halve walnoot op de voorkop,
laten zien dat dit ras afstamt van de vechthoenders. De Twentse
Hoenders houden van een vrije uitloop, zijn rustig van aard en hebben
een vertrouwelijk karakter. Door de enorme vitaliteit, weerstand
tegen verschillende weertypen en de goede leg in de winter, verspreidden
de Twentse Hoenders met de reputatie als winterleggers zich snel
in de regio en later over de rest van Nederland en Duitsland. Als
eerste ontstond de kleurslag zilverpatrijs (Twentse Griezen),
later toen de patrijskleurigen erbij kwamen werden ze Twentse Hoenders
genoemd. Op Herinckhave wordt met de oorspronkelijke
kleurslag zilverpatrijs gefokt. |
Twentse Landgans |
|
| Nederland kende in de 19e eeuw nog verschillende
eigen ganzenrassen als de Groninger gans, Noord-Hollandse gans en
Zuidenaar gans. Deze lokale rassen zijn door inkruising met zwaardere
buitenlandse rassen als de Emdener, Pommerse, Toulouse en de Afrikaanse
knobbelgans kort na de Eerste Wereldoorlog verdwenen. Aan dit lot
is de Twentse Landgans ternauwernood ontkomen |
|
Het vroegste Twentse document dat melding maakt van
de Twentse Landgans is van Freiherr Von Bönninghausen
die in zijn beschrijving van De Twentse roggeteelt (1817)
melding maakt van de veelvuldige aanwezigheid van ganzen binnen
de Twentse boerengemeenschappen. Jaarlijks overstromende beekjes
en kleine rivieren die een goede grasoogst beletten zijn de aanzet
geweest tot de bedrijfsmatige ganzenhandel en ganzenteelt zoals
deze vanaf 1850 tot aan de eerste wereldoorlog rond Enter, Wierden
en Goor gepraktiseerd werd. Jaarlijks werden er tienduizenden dieren
in Twente en Duitsland opgekocht en rond Enter verhandeld met als
topjaar 1887 met 60.000 dieren. In 1188 wordt Enter als 'Entheren'
genoemd. Deze naam voedt de bewering dat Enter haar naam aan de
ganzenteelt te danken heeft. Enthere is een landrug in moerassig
gebied waarop ‘entvogels’ te vinden zijn. Dankzij de
rasspecifieke vroege leg - ook van éénjarige dieren
- konden de nakomelingen als 6 – 8 weekse mestkuikens reeds
in de winter als het vroege voorjaar worden aangeboden. Met name
Engeland en Duitsland toonden zich belangrijke afnemers. Met de
ontwatering van het natte Noordwest Twente, de opkomst van de grootschalige
landbouw en de economische voordelen van de intensieve veehouderij
is het na 1945 is het definitief gedaan met de bedrijfsmatige ganzenhouderij
in Nederland. Wel werden er tot in de zestiger jaren nog honderden
Twentse Landganzen voor kerst afgemest in Goor.
De Twentse Landgans is een vroegrijpe, bewegelijke, licht tot middelzwaar
gebouwde, horizontaal gestelde gans van het landganstype. De ogen
zijn bij beide kleurslagen lichtblauw. Zowel de poten als snavel
zijn geeloranje waarbij de snavelnagel licht hoornkleurig is. De
nauwelijks middellange hals wordt rechtop gedragen. De vleugelpunten
elkaar raken op de stuit. De Twentse landgans komt voor in de kleurslagen
wit en bont. Het overgrote deel van de Twentse landgans was vroeger
wit, de weinig voorkomende bonte dieren hadden vaak alleen aftekening
aan de kop, de rug en de flanken. Dit omdat het witte dons, geplukt
van hals, borst en buik meer opleverde dan het donker gekleurde
dons. Een belangrijk raskenmerk was de vroege leg. Twentse ganzen
begonnen vaak in november, december te leggen.
Uit oude documenten blijkt dat het gebied rond Herinckhave
van oorsprong een belangrijk ganzengebied is geweest. Momenteel
is de Twentse Landgans met ruim 100 dieren een uiterst zeldzaam
ras dat door hernieuwde belangstelling steeds meer liefhebbers kent.
Met een kleine 20 dieren loopt een belangrijk deel van de huidige
fokpopulatie van de Twentse Landgans in de boomgaard van Herinckhave.
Dit aantal dieren alsmede de inspanningen om de Twentse Landgans
als streekhistorisch ras weer op de kaart te krijgen is door de
Stichting Zeldzame Huisdierrassen gewaardeerd door de erkenning
als ‘Erkend Fokcentrum’.
|
Krombekeend |
|
Vermoedelijk zijn krombekeenden enkele eeuwen geleden
door zeevaarders vanuit het verre oosten naar Europa gebracht. Op
17e eeuwse schilderijen van Jan Steen, Albert Cuyp en Melchior d'Hondecoeter
staan zowel krombekeenden afgebeeld, soms met een kuif.
Krombekeenden en witborsteenden werden aanvankelijk als productiedier
gehouden met jaarlijks ongeveer 175 eieren. Op diverse boerderijen
in het polderlandschap werden kleine koppeltjes van ongeveer vijftien
eenden gehouden die, net als kippen elders, zelf naar hun voedsel
moesten zoeken. Ze zwierven overdag in de poldersloten rond en kwamen
aangelokt door wat graan, s’avonds weer naar nachtverblijf
terug. |
|
Met de introductie van de Khaki Campbell, die ruim
meer legde dan de krombekeend, was rond 1975 de Krombekeend bijna
uitgestorven Op dit moment wordt de zeldzame krombekeend door een
gering aantal fokkers gehouden. In 2001 zijn 160 fokdieren geïnventariseerd.
De krombekeend is genoemd naar de platte, brede snavel die krom
naar beneden verloopt. De schedel en snavel vormen een vloeiende
halve cirkel. In de boomgaard van Herinckhave zwemmen al dan niet
gekuifde krombekeenden in de kleurslagen donkerwildkleur en blauwdonkerwildkleur.
|